top of page

Hernieuwbare energie vervoer

Inleiding

Op 13 februari 2023 zijn er veranderingen aangebracht in de Wet milieubeheer (hierna: wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, die uiterlijk in 2025 gaan gelden. Deze wijzigingen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een update van de (Europese) Renewable Energy Directive (Richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, hierna: RED). De RED legt bindende voorwaarden op aan de landen van de Europese Unie om maatregelen te treffen in het kader van milieubescherming. In dit geval gaat het om de regels voor vervoerders van brandstoffen als benzine, diesel en stookolie. Zo worden de categorieën van vervoerders die aan de regels onderworpen worden uitgebreid. In dit blog worden de belangrijkste veranderingen besproken.


Aanleiding

De Europese Unie (hierna: EU) heeft, naar aanleiding van de Europese Klimaatwet in haar ‘Fit for 55-programma’ doelstellingen opgeschreven om bij te dragen aan een beter klimaat en een gezonder milieu. Onder meer bevat dit programma een wettelijke verplichting om de netto-uitstoot met ten minste 55% te verminderen tussen nu en 2030. Uiteindelijk moet de EU tegen 2050 klimaatneutraal zijn.


Ongeveer een kwart van de CO2-uitstoot is afkomstig van het verkeer. Met het stimuleren van het gebruik van hernieuwbare energie in het vervoer, verwacht de overheid dat we minder fossiele brandstoffen gaan verbruiken en dus de CO2-uitstoot kunnen verlagen. Daarom heeft zij wetgeving gemaakt om aan dit beleid uitvoering te geven.



Jaarverplichting

De RED-I bevat een verplichting aan de brandstofleveranciers in de transportsector (dat wil zeggen: al het verkeer over land, ter zee of in de lucht) om het aandeel hernieuwbare energie naar ten minste 10% te brengen. Dit kunnen zij doen door ervoor te zorgen dat elk kalenderjaar tegenover hun leveringen van benzine en diesel voldoende leveringen van duurzame biobrandstoffen staan. Ook mag de vervoerder leveringen uit hernieuwbare bronnen gewonnen elektriciteit meetellen. Deze prestatie wordt de ‘jaarverplichting hernieuwbare energie’ genoemd (hierna: jaarverplichting).


Daarnaast bevat de RED-I bepalingen die brandstofleveranciers verplichten de broeikasgasemissies in de totale brandstofketen – met inbegrip van buitenlandse schakels – met 6% te verminderen ten opzichte van 2010. Bovendien moet deze reductie ook behouden blijven na 2020. Dit doen bedrijven aan de hand van zogenoemde hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s). De Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEA) kent ieder jaar aan de HBE’s een waarde toe voor hun broeikasgasemissiereductie-bijdrage.


De veranderingen die doorgevoerd zijn – of nog gaan worden – zijn de volgende: in de eerste plaats wordt vastgelegd dat het aandeel hernieuwbare energie in 2030 ten minste 14% van het totaal moet bedragen. Daar is dus 4% bijgekomen. Ook is er een uitbreiding van de reikwijdte van de jaarverplichting voorgeschreven en zijn de toezichtsbevoegdheden van de NEA verruimd. Bovendien wordt het aandeel biobrandstoffen uit voedsel- en voedergewassen (denk aan sojaolie) gelimiteerd tot 6%. Biobrandstoffen uit voedsel- en voedergewassen met een hoog risico op indirecte veranderingen van landgebruik mogen helemaal niet meer toenemen en moeten afgebouwd worden totdat zij eind 2030 helemaal geen aandeel meer hebben in de geleverde brandstoffen.


Daarnaast is er een nieuw zelfstandig instrument geïntroduceerd: de broeikasgasreductie-eenheid (hierna: BKE). De HBE’s zullen verdwijnen en vervangen worden door de BKE’s. Het systeem van BKE’s heeft als voordeel dat er een extra stimulans wordt gegeven om ten aanzien van biobrandstofproducten een nog hoger reductiepercentage te bewerkstelligen. Daar staat dan weer tegenover dat alle betrokken partijen zullen moeten overschakelen naar het nieuwe systeem, terwijl betrokken partijen ondertussen bekend zijn met het ‘oude’ stelsel. Dit kan overigens wel meevallen, omdat de systematiek van de BKE’s lijkt op die van de HBE’s.


Voor bedrijven die energie leveren valt een extra administratieve last te verwachten: het nieuwe systeem moet ingevoerd worden. De berekening van BKE’s zal gebeuren aan de hand van standaardwaarden, genoemd in de Richtlijn brandstofkwaliteit. Als bedrijven kunnen bewijzen dat de daadwerkelijke broeikasgasemissie van hun biobrandstofketen lager is dan de emissie waarvan is uitgegaan bij de berekening, worden meer BKE’s op haar rekening bijgeschreven. Bedrijven moeten er echter wel rekening mee houden dat de berekening moeilijk te controleren valt, omdat het merendeel van de reductie in het buitenland plaatsvindt. In dat geval zullen er ingewikkelde modellen en calculaties aan ten grondslag moeten liggen. Nieuw is bovendien dat de jaarverlichting wordt uitgebreid: zij gold eerst enkel voor wegvoertuigen die rijden op benzine en diesel. Nu valt daar al het wegverkeer, pleziervaartuigen, de binnenvaart en vaste installaties onder voor zover zij gebruikmaken van benzine en/of diesel als brandstof, tenzij zij expliciet zijn uitgezonderd in nadere regelgeving.


Voorbeeld

Laten we nu kijken naar een voorbeeld om te zien welke verplichtingen op de exploitant van een binnenschip afkomt. We nemen daarbij aan dat deze ongeveer 750.000 liter zware stookolie uitslaat tot verbruik. Deze moet onder meer de volgende gegevens verstrekken: de bestemming van de brandstof, de periode overeenstemmend met de periode van de accijnsaangifte, het volume in liters en informatie over eventuele afwijkingen van de accijnsopgave. Een verificateur beheert vervolgens de ingeboekte verklaringen hernieuwbare brandstof in het register. Bij vermoedens van fraude, meldt de verificateur dat aan de NEA. De NEA controleert vervolgens of de gegevens volledig en waarheidsgetrouw zijn.


In dit blog heeft u gelezen welke wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de RED-II. Dit hebben we toegelicht met een kort voorbeeld. Heeft u vragen over de nieuwe regels? Of heeft u andere transportrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met één van onze advocaten.

Commenti


bottom of page